in beeld
Get Adobe Flash player

Waterschei

De mijn van Waterschei was de grootste van de drie mijnen die werden opgericht op het grondgebied van Genk. Als eerbetoon aan André Dumont, de Leuvense professor die de Limburgse steenkoollagen ontdekte, werd deze zetel de André Dumontmijn genoemd.

Het was op 18 juni 1907 dat de “S.A. Charbonnages André Dumont-sous-Asch” officieel werd opgericht, de mijn werd in het uiterste westen van de concessie ingericht omdat het gemeentebestuur van As had geweigerd dat de installaties op haar grondgebied zouden komen. Deze excentrische ligging van de schachten zou later trouwens nog voor problemen zorgen in verband met de verluchting van de ondergrond (zie verder). De concessie voor deze mijn was al in 1906 verleend aan een volledig Belgisch samenwerkingsverband, bestaande uit de Société Générale, de kristalfabriek van Val Saint-Lambert, Mutuelle de Solvay, Laminoirs et Forges de Marchiennes-au-Pont, de Volksbank van Leuven en verder de persoonlijke kapitalen van onder andere Coppée (ook betrokken in de mijn van Winterslag) en Goffinet. Vanaf 1912 bedroeg de oppervlakte van de concessie 3 080 hectare.

Van alle Limburgse mijnen had de mijn van Waterschei het meeste productieverdiepingen, zomaar even op zeven verdiepingen werden kolen gewonnen: op 560, op 647, op 700, op 807, op 920, op 980, en tenslotte op 1 040 meter diepte. Ook qua schachtdiepte had de mijn van Waterschei een record: schacht I was 1 208 meter diep, en schacht II had zijn bodem op -1 088 meter! Oorspronkelijk waren de putten niet zo diep, maar naarmate men dieper ging om nieuwe productieverdiepingen aan te leggen, werden de schachten ook telkens verder afgediept. Ze hadden beiden een diameter van zes meter en werden ook elk bediend door vier liftkooien. In 1985 nog was een nieuwe computergestuurde extractiemotor van 6 000 PK van Siemens geïnstalleerd.

De mijn van Waterschei bereikte in 1949 haar maximale tewerkstelling met een personeelsbestand van 6 834 mensen. In 1968 vestigden de mijnwerkers het productierecord voor Waterschei met 1 490 700 ton opgehaalde kolen. De totale productie van deze mijn bedraagt 72 453 000 ton steenkool.

Gedurende heel haar bestaan had de André Dumontmijn echter problemen om de ondergrond te verluchten, in 1952 werd een project aangevat om een nieuwe luchtschacht te graven bij As, maar de kolencrisis zorgde ervoor dat dit project begraven werd. Het verluchtingsprobleem zou uiteindelijk opgelost worden door de mijn van Waterschei ondergronds te verbinden met de mijnen van Eisden en Winterslag. Nadat de Limburgse mijnen in 1967 verenigd waren in de Kempense Steenkolenmijnen, werd de samenwerking met de mijn van Winterslag steeds intenser, vanaf 1981 werd de volledige ruwkolenproductie van Winterslag naar Waterschei gebracht om daar in de kolenwasserij te worden behandeld, aldus reden dagelijks zes treinen met 1 500 ton ruwkool van Winterslag naar Waterschei. De kolenwasserij van Waterschei was dan ook de modernste en best uitgeruste van heel Limburg, dagelijks konden er 9 000 ton brutkool van Winterslag en 11 000 ton van Waterschei worden verwerkt, terwijl zes man per ploeg volstonden om de installatie te bedienen!

Ondanks alle rationaliseringen en samenwerkingen kon niets het economische tij nog doen keren voor de Limburgse kolen. In 1987 werden de sluitingsplannen voor de Oostelijke Kempense Steenkolenmijnen definitief goedgekeurd, de bijl viel als eerste voor de mijn van Waterschei: op 10 september 1987 sloot de André Dumontmijn voor altijd haar deuren.

Bronnen:

Becuwe (e.a) , Een eeuw steenkool in Vlaanderen., Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2001, 120 p

Minten (L.), Raskin (L.), Soete (A.), Van Doorslaer (B.) en Verhees (F.), Een eeuw steenkool in Limburg., Tielt, Lannoo, 1992, 280 p

Jan Van Bogget heeft deze foto’s gemaakt van de bovengrondse gebouwen.